Advocaten Websites

De Nederlandse Orde van Advocaten (https://www.advocatenorde.nl/)

De Amsterdamse Orde van Advocaten (https://www.advocatenorde-amsterdam.nl/)

Rechtspraak (www.rechtspraak.nl)

Advertisements

Advocaat procesrecht

Sinds 2006 ben ik verbonden als advocaat bij Blenheim Advocaten (Amsterdam).

Ik heb een brede procespraktijk, met een zwaartepunt voor financieel recht en ondernemingsrecht. Ik ben lid van de specialisatieverenigingen Vereniging van Financieel recht (www.vvfr.nl).

Ik sta vaak in de rechtszaal voor (bijvoorbeeld) een kort geding. Bij voorkeur los ik het probleem buiten de rechtszaal op, maar soms moet een oplossing worden geforceerd.

Op regelmatige basis blog ik over juridische onderwerpen.

Hier treft u belangrijke websites aan voor advocaten.

Waarschuwingsplicht (zorgplicht) van een bank bij borgtochtovereenkomst

De Hoge Raad heeft voor ondernemers, directeur-grootaandeelhouders (DGA) een belangrijke uitspraak gewezen. Vooral als u als ondernemer bij de bank een borgtochtovereenkomst hebt (moeten) ondertekend (ondertekenen), kan deze uitspraak wellicht op u van toepassing zijn. Jasper Hagers (advocaat te Amsterdam) bespreekt dit arrest.

een waarschuwingsplicht of een zorgplicht?

In dit arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat een bank een plicht kan hebben om haar klanten te waarschuwen voor specifieke gevaren die verbonden zijn aan het aangaan van een borgtochtovereenkomst. Nu bij zakelijke lening het vaak voorkomt dat een bank als voorwaarde stelt dat er een borgtochtovereenkomst getekend moet worden, kan deze uitspraken grote gevolgen voor de praktijk hebben en voor u als ondernemer.

Het ging in dit arrest om het navolgende.

De heer Pessers en mevrouw Van Delft zijn gehuwd. Zij bankieren bij Rabobank. Op de echtelijke woning is een tweetal hypotheekrechten verstrekt ten behoeve van Rabobank. Deze hypotheekrechten strekken tot zekerheid van leningen verstrekt aan de echtgenoten gezamenlijk. Naast de echtgenoten in privé, financiert Rabobank de ondernemingen waarvan de heer Pessers directeur-grootaandeelhouder is (DGA).

Tot zekerheid van terugbetaling van de verplichtingen uit deze ondernemingen is ook een hypotheekrecht verstrekt op de echtelijke woning ten behoeve van de bank. De heer Pessers heeft door een borgtocht hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor alle verplichtingen van de door hem gedreven ondernemingen met een maximum van EUR 3.000.000,–. Op de voet van artikel 1:88 Burgerlijk Wetboek is voor een dergelijke borgtocht toestemming van de echtgenote vereist, die in dit geval ook is gegeven (mevrouw Van Delft). Na het faillissement van één van de vennootschappen, waarvan de heer Pessers DGA is, is de woning van Pessers en Van Delft vervolgens (gedwongen) onderhands verkocht. In de procedure vordert de bank betaling van opgezegde leningen en de debetstand van de rekening-courantverhouding. Pessers en Van Delft zeggen echter dat de bank toerekenbaar tekort is geschoten bij de totstandkoming van de borgtocht . Zij stellen dat de bank tekort is geschoten in haar zorgplicht bij de hypotheekverlening en stellen een tegeneis in (eis in reconventie), waarbij de overeenkomst van borgtocht wordt vernietigd en een geldvordering wordt ingesteld. Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof Den Bosch oordeelden dat de bank niet tekort was geschoten in haar zorgplicht tegenover Pessers.

De Hoge Raad oordeelt anders. De Hoge Raad stelt dat de bank toerekenbaar tekort geschoten is in haar zorgplicht tegenover Pessers en Van Delft als klant.

Zo overweegt de Hoge Raad:

“De zorgplicht van de schuldeiser jegens de borg strekt zich in beginsel niet uit tot de echtgenoot die op grond van art. 1:88 BW toestemming dient te geven voor de borgtocht. Een andere beslissing zou niet in overeenstemming zijn met de rechtszekerheid en de eisen van een vlot en ongestoord rechtsverkeer.

3.5.3. De onderdelen zijn echter gegrond voor zover zij betrekking hebben op het verwijt van Pessers en Van Delft aan de Bank dat zij is tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens Van Delft als haar klant. Pessers en Van Delft hebben in dit verband onder meer aangevoerd (i) dat, gelet op de vaststaande feiten dat Van Delft, net als Pessers, reeds geruime tijd (privé) vaste klant was van de Bank, dat zij tezamen met Pessers een eerste en tweede hypotheek aan de Bank had verleend voor ten dele hun gemeenschappelijke privéschulden aan de Bank en dat zij tezamen met haar echtgenoot in verband met de borgstelling een derde hypotheek aan de Bank verleende, een contractuele relatie bestond tussen Van Delft en de Bank waaruit voor de Bank een zorgplicht voortvloeide jegens haar, ook met betrekking tot de verlening van de borgtocht, (ii) dat de Bank wist dat Van Delft (een aanzienlijk) privévermogen had, (iii) dat de Bank wist en overzag dat borgstelling en hypotheek tot gevolg konden hebben dat dit privévermogen zou (moeten) worden aangesproken voor de gemeenschappelijke schulden van Pessers en Van Delft aan de Bank die voordien geheel gedekt werden door de reeds verleende eerste en tweede hypotheek, en (iv) dat Van Delft dit voor haar ernstige gevolg – haar privévermogen fungeerde als pensioenvoorziening – niet heeft voorzien en overzien ten tijde van (haar medewerking aan) borgstelling en hypotheek.”

De Hoge Raad stelt dus dat het Gerechtshof ten onrechte voorbij is gaan aan de stellingen die betrekking hebben op de waarschuwingsplicht van een bank voor de risico’s bij een borgtochtovereenkomst. De Hoge Raad overweegt dat deze stellingen (die dus nog niet zijn beoordeeld) wel degelijk kunnen meebrengen dat de bank bij het aangaan van de borgstelling en verlening van de hypotheek gehouden was om Van Delft te waarschuwen voor het risico dat haar privévermogen daardoor gevaar liep. Het tekortschieten in de waarschuwingsplicht kan ertoe leiden dat de Rabobank beperkt wordt om verhaal te halen op het privévermogen van Van Delft, voor de gemeenschappelijke schulden van de echtgenoten. Dit zou volgens de Hoge Raad voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).

Zo geeft de Hoge Raad aan:

“Het tekortschieten in deze waarschuwingsplicht kan meebrengen dat de bank door de werking van art. 6:248 lid 2 BW wordt beperkt in de mogelijkheden tot verhaal op het privévermogen van Van Delft voor de gemeenschappelijke schulden van Pessers en Van Delft. Daarbij verdient opmerking dat de zorgplicht die de bank in dit geval volgens onderdelen heeft, geen verband houdt met het vereiste van art. 1:88 BW en dus niet afhangt van het antwoord op de vraag of voor de borgstelling de toestemming van Van Delft was vereist.”

De Hoge Raad overweegt dus – samengevat – dat er op een bank wel degelijk een waarschuwingsplicht kan rusten om bij een borgtochtovereenkomst te waarschuwen voor de gevolgen die dat met zich meebrengt en dus dat de bank in duidelijke bewoordingen moet waarschuwen voor de bijzondere risico’s die daaraan verbonden zijn. De Hoge Raad overweegt overigens ook dat dit niet voortvloeit uit 1:88 BW, maar uit de (beperkende werking) van de redelijkheid en billijkheid (6:248 lid 2 BW).

Vragen over zorgplicht van een bank en waarschuwingsplicht bij borgtocht

Bent u directeur-grootaandeelhouder (DGA) en (of) hebt u wellicht een vraag over dit artikel (of een ander juridisch onderwerp), dan kunt u altijd vrijblijvend contact opnemen met Jasper Hagers: